Persoonlijk leiderschap

Persoonlijk leiderschap wordt bepaald door de persoonlijkheid van de leider. Veenbaas en Weisfelt hebben het dan over de identiteit van de leider zoals die blijkt uit het autonoom gedrag. Wanneer de buitenwereld lijkt op een snel stromende rivier van veranderingen, wordt flexibiliteit verwacht. Dat vereist perspectiefwisselingen van binnen zodat mensen zichzelf in alle wisselingen leren vertrouwen in hun binnenwereld. Dit geldt in het bijzonder voor leiders, het persoonlijk leiderschap is dan een betrouwbaar baken.

Veenbaas en Weisfelt beschrijven de criteria waar een leider aan moet voldoen, wil hij in staat zijn leiderschap vorm te geven.

  1. De leider is in staat tot een hoge mate van introspectie. Hij is steeds weer bereid zijn eigen motieven te onderzoeken.

  2. De leider is bereid tot de ontmoeting met zijn schaduwkant, dat deel van de persoonlijkheid waar veel mensen bang voor zijn. Daardoor kan hij de negatieve krachten in zichzelf constructief hanteren.

  3. De leider weet hoe zijn interne ervaring in wisselwerking staat tot zijn externe ervaringen. Hij weet de relatie tussen intern en extern te hanteren. Hij vraagt zich af wat zijn ervaringen in zijn omgeving betekenen voor zijn binnenwereld; hij vraagt zich af hoe zijn binnenwereld de omgeving beïnvloedt.

  4. De leider ervaart zichzelf als een richtinggever, verbonden met krachten van het universum.

  5. De leider is in staat geleid te worden.

  6. De leider is in staat zijn eigen handelen steeds weer vanuit een ander perspectief te doordenken.

  7. De leider kan de overdrachtselementen van een relatie verduren.