Beïnvloeden & Inzichten

16. Wat is ordinair op de vlakte?

puzzel

Je staart al tien minuten naar dat stomme puzzeltje in de krant en je ziet het antwoord niet. De conducteur roept om dat de eindbestemming is bereikt en dat je geen eigendommen moet achterlaten. Geïrriteerd dat je de puzzel niet hebt kunnen afronden, vouw je de krant op en bewaar je de puzzel voor de terugreis. Tijdens de lunchpauze vertel je een flauwe mop over een ambtenaar en een van je collega's reageert met de vraag wat je nou toch zo leuk vindt aan die oppervlakkige grapjes. Je springt op van tafel, je rent naar je tas en je vult opgelucht het antwoord van de puzzel in.

Via welke ingang kun je de ander tot inzichten krijgen? Als de puzzelaar in de lunchpauze zijn puzzelvraag op tafel had gelegd, was de kans groot geweest dat zijn collega's zouden gaan strooien met mogelijke antwoorden. Of dat een collega de krant zou pakken om te laten zien dat hij beter kan puzzelen dan de ander. Welke reactie er ook zou plaatsvinden, het vraagstuk van de puzzelaar wordt beïnvloed door anderen.

Beïnvloeden is de interactie met de ander in een gewenste richting sturen (zonder inzet van macht) zodat de ander verandert in opvattingen of gedrag (Bijker, 2008). De kunst is om de vorm van beïnvloeding aan te passen aan wat nodig is om de ander tot inzichten te helpen. Voor het voeren van een dialoog is overtuigen en aansporen niet gewenst. Het doel is niet om gewenst gedrag te stimuleren of je sterk te profileren tegenover de ander. Het doel is beweegredenen onderzoeken en perspectieven af te wisselen. Je wil de ander betrekken omdat je zijn kennis nodig hebt. Je bent oprecht geïnteresseerd zodat de ander ook in jou geïnteresseerd is. Je gaat mee in de visie van de ander om te ontdekken hoe de wederzijdse belangen gediend kunnen worden. Je wil snel samen succes hebben zodat er nog meer succes kan ontstaan.

perspectieven

Het verschil tussen een inzicht en een antwoord is dat de puzzelaar zelf zijn puzzel begrijpt en niet een puzzelstukje aangereikt krijgt om te passen. Bij een inzicht wordt de vorm van waar het antwoord aan moet voldoen, duidelijk. Bij vraagstukken ontstaat inzicht als de puzzelaar de samenhang begrijpt en ziet hoe de samenhang werkt. De samenhang zien tussen 'ordinair', 'vlakte' en 'oppervlakkig' geeft inzicht. Alleen het antwoord geven is voor de ander denken en dat zet niet aan tot anders denken.

Het vraagstuk van een medewerker is niet automatisch het vraagstuk van zijn direct leidinggevende. Als de medewerker zijn vraagstuk duidelijk maakt is het aan zijn direct leidinggevende om een vorm van beïnvloeding te kiezen die de medewerker tot inzichten helpt.